Vruchtbaarheid

Vruchtbaarheid


Een lage vruchtbaarheid heeft een negatief effect op het bedrijfsresultaat veroorzaakt door het hogere aantal lactatiedagen en lagere efficiëntie. Verse koeien produceren meer melk per kilogram droge stof dan dieren die langer in de lactatie zijn. Het niet drachtig krijgen van dieren is een belangrijke reden voor afvoer.

In een gezonde situatie wordt een koe na afkalven door hormonale processen weer cyclisch en tochtig. Dit proces kan echter door verschillende oorzaken verstoord raken. Het al dan niet op gang komen van de cyclus is, in het algemeen, vooral afhankelijk van de energiebalans na afkalven.

Na een ogenschijnlijk succesvolle inseminatie kan de bevruchting binnen enkele weken verloren gaan. Koeien lijken 'gewoon' weer tochtig te worden nadat ze eerst geïnsemineerd zijn. Hiervoor kunnen meerdere oorzaken zijn, zoals: een versnelde afbraak van hormonen in de lever van verse koeien, hoge ureumconcentraties in het bloed, een matige kwaliteit van de eicel vanuit bijvoorbeeld de negatieve energiebalans, hittestress en baarmoeder- en uierontsteking.

Enkele parameters van het koppel geven een indruk van de vruchtbaarheid. De tussenkalftijd geeft een algemeen beeld van de vruchtbaarheid van de veestapel, het interval afkalven-eerste inseminatie zegt iets over het cyclisch worden en de tochtigheid. Het aantal inseminaties per dier en het non-returnpercentage geeft vooral aan of koeien makkelijk drachtig worden.

Een lagere vruchtbaarheid en de weerstand worden vaak beïnvloed door dezelfde factoren:

  • Voeding, waarbij vooral de negatieve energiebalans een rol speelt bij het cyclisch worden, en onder meer vitamines en mineralen een grote rol spelen bij het drachtig worden.
  • Stress (dit heeft ook een negatieve invloed op de weerstand)
  • Fokkerij
  • Infectieziekten (zoals BVD en IBR)

Naast infectieziekten, voeding en stress, die zowel de weerstand als vruchtbaarheid beïnvloeden, heeft ook het immuunsysteem zelf het nodige effect op de vruchtbaarheid, zowel direct als indirect. Witte bloedcellen (macrofagen, neutrofielen en T-lymfocyten) zijn nodig in de eierstok voor een normale eisprong en werking van het gele lichaam (hormoonproductie). Deze witte bloedcellen zijn onderdeel van de weerstand en het natuurlijk immuunsysteem. Activiteit van het gele lichaam is ook afhankelijk van de aanwezigheid van de beta-caroteen, met name in de winterperiode. Daarnaast draagt het beta-caroteen gehalte bij aan het voorkomen van 'aan de nageboorte blijven staan'.

Een lagere weerstand leidt dus via deze weg direct tot een verminderde vruchtbaarheid. In vele studies worden een lage weerstand en hoge vatbaarheid voor ziektes in verband gebracht met een verminderde vruchtbaarheid. Dit geldt voor uierontsteking, aan de nageboorte blijven staan en baarmoederontsteking, maar ook stofwisselingsziekten zoals melkziekte en slepende melkziekte.

Uierontsteking heeft bijvoorbeeld een negatieve invloed op de structuur en werking van de eierstokken en speelt een rol bij abortus. Aan de nageboorte staan geeft een verandering van de hormonale activiteit en de activiteit van de witte bloedcellen. Baarmoederontsteking geeft hormonale veranderingen. Melkziekte en slepende melkziekte hebben een negatief effect op het interval afkalven-eerste inseminatie en het percentage dracht na eerste inseminatie van de koe.

Het is algemeen bekend dat mastitis, wanneer deze tegelijkertijd voorkomt met andere aandoeningen, een groter negatief effect heeft op de vruchtbaarheid dan andere aandoeningen.

Kortom, een lage weerstand leidt zowel direct als indirect tot een verminderde vruchtbaarheid en dat de factoren die de weerstand beïnvloeden (voeding, stress en infectieziekten) vrijwel dezelfde zijn als de factoren die invloed hebben op de vruchtbaarheid.

Dit maakt het overzichtelijk, want goede voeding, beperken van stress, het onder controle hebben van infectieziekten leidt dus zowel tot een hogere weerstand als een vruchtbaar koppel.